Demon van het middaguur

Ik denk dat ik leid aan existentiële verveling, dacht de man. Deze gedachte kwam voor het eerst bij hem op afgelopen woensdagmiddag, toen hij voor de zoveelste keer boodschappen ging doen met zijn fiets met fietstassen bij de supermarkt iets verder dan loopafstand. De kleine, losse dingen haalde hij altijd te voet bij de kleinere supermarkt om de hoek, maar eens per week fietste hij zestien en een halve minuut naar de grote supermarkt. Daar haalde hij zijn gebruikelijke boodschappen en eens in de zoveel tijd trakteerde hij zichzelf op de verse donuts die hij daar zo heerlijk vond. De donuts zorgden nog voor enige variatie in zijn routine. Soms haalde hij zelfs donuts die waren overgoten met chocola, maar alleen als hij in een gekke bui was.

 

Het woord existentiële verveling kende hij niet, totdat hij het recent las in een artikel in zijn zaterdagkrant. Toen nog had hij het niet direct geassocieerd met hoe hij zijn eigen leven leidde, dit kwam pas later, toen hij de banden van zijn fiets oppompte om zijn vaste rit te maken. Wekelijks de fietsbanden oppompen, dat vroeg zijn vrouw hem altijd te doen. ´Maak jij de fietsen gereed?’ vroeg ze dan, terwijl zij de tassen bij elkaar raapte en het oud glas verzamelde. Hij vond dit altijd meer een opdracht dan een vraag, maar hij wilde er niet achter komen wat er zou gebeuren als hij het eens weigerde.

 

Zijn vrouw was drieënhalf jaar geleden overleden en nog steeds pompte hij keurig de bandjes van zijn fiets op voordat hij vertrok. Afgelopen woensdagmiddag vroeg hij zichzelf voor het eerst eens af waarom. Het antwoord dat hij kon bedenken was ‘omdat ik zelf ook van een strak opgepompt bandje hou’. Dat stemde hem tevreden genoeg en hij pompte gestaag verder.

 

Maar onderweg op de fiets kwam de gedachte weer bij hem op. Waarom pomp ik iedere week mijn fietsbanden op, terwijl die fiets de rest van de week gewoon in de schuur staat? Toen hij halverwege was werd deze vraag gevolgd door volgende vragen: Waarom fiets ik iedere week weer naar de supermarkt? Waarom kan ik nooit een uitzondering maken? Waarom haal ik niet eens een verse chocoladecroissant in plaats van altijd maar weer die donuts?

 

Hoewel de donut in zijn gedachten hem wel erg lekker voor deed komen, begon het idee van zijn boodschappenronde hem ineens heel erg tegen te staan. Zo erg dat hij bij de rotonde een extra rondje reed op zijn fiets. Om vervolgens toch keurig af te slaan naar de grote supermarkt. Hij zette zijn fiets op slot, sloeg zichzelf op zijn wang en stapte kordaat naar binnen.

 

Maar achter zijn winkelkarretje, in de lange open gangpaden, die roken naar groente, vis, plastic, schoonmaakmiddel en versgebakken brood, de geuren die hij zo goed kende, overviel het gevoel hem harder dan hij kon voorspellen. Waarom doe ik al jaren dezelfde boodschappenronde in dezelfde supermarkt in hetzelfde dorp? Waarom fiets ik niet eens de andere kant op? Waarom voel ik me zo moe? Zijn mijn banden wel hard genoeg opgepompt? Waarom kan ik alleen maar denken aan de banden van mijn fiets?

 

‘Meneer, kan ik u ergens mee helpen?’ een stem afkomstig vanuit het gangpad van snoep trok hem terug in de realiteit. De zoete chemische geuren drongen zijn neus binnen toen hij warrig antwoorde dat dat niet hoefde, bedankt. Hij wilde de stem terugzeggen dat hij niet wist waarmee hij geholpen kon worden. Dat hij het even allemaal niet wist. Dat hij had gedacht het altijd te weten, maar dat het onbehaaglijke gevoel dat hij al zijn hele leven kende, nu het niet-weten bleek te zijn.

 

Voorover hangend op het karretje, zijn buik op het brede handvat, duwde hij zijn winkelkar voort. Traag zette hij voet voor voet op de gladde supermarktvloer. Zijn hoofd hing naar beneden, kijkend door het raster van de kar, naar de grond. Voor het eerst zag hij de zwarte en ander kleurige stipjes in de vloer waarvan hij altijd dacht dat deze beige was, maar die eigenlijk lichtgeel bleek te zijn. Het deed hem vrij weinig. Ik. Stap. Leid. Stap. Aan. Stap. Buitengewone. Stap. Verveling. Ik. Stap. Leid. Stap. Aan. Stap. Verschrikkelijke. Verveling. Ik. Stap. Verveel. Stap. Me. Stap. Kapot.

 

Bij dit laatste woord keek de man omhoog waar hij was, zonder zijn buik los te maken van de kar. Hij bevond zich nog steeds in het snoepgangpad en zijn oog viel op een kleurrijke zak rechts van hem. Hij schuifelde dichterbij het rek, met zijn hand reikend naar de geel-roze verpakking. Door het plastic zag hij een wereld die hij nog niet kende. Een wereld van fluorescerend groen en doorzichtig blauw, van opgerolde matjes in felle kleuren, marshmallowachtige taferelen gecombineerd met drop, suiker, zoet, zuur. Het water liep hem in de mond ook al had hij geen idee hoe de inhoud zou smaken. Voordat hij het door had gooide hij de zak in de kar, keek om zich heen en marcheerde zijn weg naar de kassa.

 

 Toen hij laat in de middag thuis was gekomen viel hij tevreden in slaap op zijn stoel. Voor het indommelen dacht hij aan hoe hij op de terugweg een andere route had gefietst dan normaal, de eendjes had gevoerd in de vijver bij het park (terwijl hij dit normaal gesproken op vrijdag deed) en hierbij aan de praat raakte met een oudere dame met uitgelaten vrolijk en ondeugende oogjes en hoe hij haar een snoepje uit zijn zak had aangeboden. Hij droomde uitbundig over de dingen die hij al zijn hele leven had willen doen maar nooit had gedaan en hield zich voor dat hij zich onmogelijk nog kon vervelen in zijn verdere leven, met al de dingen die hij nog moest doen. De man droomde en droomde en droomde de hele nacht en hij werd nooit meer wakker. 

THEATERMAKER / THEATERDOCENT

Merijn van Beusekom

E: merijn.vanbeusekom@gmail.com

T: 06 159 62 095